De trein rijdt door de groene velden. Er loopt een jongetje door het gras met een stok in zijn ene hand. De andere heeft hij hoog in de lucht gestoken, in een groet aan al die kleine anonieme poppetjes in de metalen slang die aan hem voorbij zoeft.
Ik zie hem gaan, een figuurtje dat niet meer dan 3 mm meet op het glas van het treinraam. Ik zwaai terug. Er is even contact en dat ontroert me.
Door dit op te schrijven zal ik hem nooit vergeten.
Dag jongetje in het gras, het ga je goed.

