Ik wil voor http://OKContact.wordpress.com een nuttig stukje schrijven over de afwas-soap met mijn zoon, maar ik zit in de trein en word wat afgeleid door mijn directe omgeving. Naast me zit @anneliesleiwa (volg haar, geachte twitteraars, ze kleurt erg leuk in je vriendenverzameling), net als ik met een prachtig macbookje op schoot, en de overige ruimte van deze vierzitsplek wordt ingenomen door een vriendelijke meneer. Officieel zit hij recht tegenover me, en daar zal zijn centrum zich ook wel ongeveer bevinden, maar hij dijt zodanig uit, dat het niet heel relevant is om zijn middelpunt nog te bepalen.
Hij zit wijdbeens om mijn knieën heen, en buigt zich af en toe glimlachend over naar de krant van zijn vrouwtje, dat bij nadere beschouwing de resten tussen het raam en zijn rondingen blijkt te vullen. Eerst had ik haar niet opgemerkt. Eigenlijk is tussen zijn plooien alleen haar krant zichtbaar.
En nu zit ik dan in de trein een stukje te typen. Niet te geloven, zoals deze fossiel (ondergetekende) met de neiging zich onder de deken te verstoppen zodra de wereld wat te luidruchtig bij haar aan klopt, zich heeft aangepast aan de intercity van de technologische vooruitgang.
Nog maar twee jaar geleden ging ik bibberend mijn eerste mobiele telefoongesprek in de trein aan. Daar is wat aan voorafgegaan. Mijn vriend had me een mobieltje cadeau gedaan, zodat ik ten allen tijde voor mijn zoon bereikbaar zou zijn. Dat argument trok me over de streep, want daarvoor vond ik het ding smogtechnisch niet verantwoord. Als gevoelig type had ik het niet zo op niet-menselijke trillingen, hoe bizar sommige mindergevoeligen dat misschien ook mogen vinden. GSM en computer, dect en zelfs televisie werden lang door mijn biologisch afbreekbare volkoren alarmsysteem geweerd.
Ik weet nog dat mijn zoon toen hij zeven was, verzuchtte:
‘Mama, ik wil zo graag een bank in de woonkamer, net als normale mensen!’ Wij hadden kussens op de grond en een hangmat. Die opmerking opende mijn in meditatiestand geloken ogen. Als ik niet wilde dat mijn zoon als een wereldvreemde worteltjesetende grotbewoner zou opgroeien, zou ik concessies moeten doen. Er kwam een bank en zelfs een televisie. Hij was de koning te rijk. Zeker toen hij na nog weer een tijdje een half uur per week een debiel spelletje op een vooroorlogse pc mocht doen.
Maar goed, terug naar het verhaal in de trein. Ik had een mobiel. Als ik het ding wilde gebruiken om mijn zoon te traceren, zorgde ik er altijd voor dat ik onzichtbaar en onhoorbaar was voor anderen. Ik dook een uitgestorven steeg in, keek als een ontsnapte politieke gevangene om me heen en boog dubbel over mijn tas, zodat niemand kon zien wat ik uitvoerde.
De eerste keer dat ik in het openbaar een gesprek moest voeren, was dus in de trein. De beller was mijn vriend, de gulle gever.
‘Hallo! Ik dacht, je zit nu in de trein, laten we eens gezellig kletsen!’
‘Ja.’
‘Hoe gaat het, was je dag succesvol? Vertel!’
‘Ja’
‘Wat zeg je? Ik versta je niet goed.’ Allicht niet, ik fluisterde achter mijn hand, bedekt door een sjaal in de kraag van mijn trui.
‘Ik kan nu niet praten,’ siste ik.’ ‘Ik zit in de trein!’
‘Ja dat weet ik toch, daarom…’
‘Tot straks!’ klik. Mijn vriend vergaf me, hij heeft engelengeduld met mij.
Dat geduld werd beloond, want nu zit ik met mijn macje op schoot, ten overstaan van de hele wereld, beurtelings te bloggen en te smsen op mijn touch screen (nog net geen I Phone, dat is mijn volgende doel). De internetverbinding heb ik nog niet voor elkaar. Annelies naast mij wel. Ik zeg tegen haar:
‘Wat zou het leuk zijn als ik ook verbinding had, dan konden we naar elkaar twitteren.’
‘Ja, zoals ‘er hangt een druppel aan je neus’’, grijnst ze. Maar wat we telepathisch van elkaar weten is dat we dat niet zouden twitteren. We zouden schrijven: ‘Wat een beeldvullende meneer, hier aan de overkant!’
Telepathie, zo oud als de wereld, blijft toch ook een communicatiemiddel om mee rekening te houden.

