We hebben een brutale buurvrouw. Ze drinkt uit onze vijver op slechts 2 meter afstand van onze achterdeur. Zelfs als mijn kat in de tuin zit. Hoezo respect voor grenzen.
Het is door dit botte negeren van territoriumcodes dat ik me ook ga storen aan uiterlijkheden. Aan haar dikke bruine kont boven de stramme pootjes. Die kont gaat vaak in mijn plantenpotten zitten, bij voorkeur in die ene waar het bolgewas net is opgekomen. Dan puilt ze aan alle kanten uit, de staart met het knikje in een hoek van 60 graden de lucht in, kin omhoog. Net koningin Wilhelmina in Engeland met de Nederlandse vlag in haar armen. Een beetje geknakte vlag weliswaar. ‘t Is tenslotte oorlog.
Ik nam de strijd met onze buurvrouw nogal serieus. Boe! zei ik soms. Waarop ze houterig uit de plantenpot klom. ‘Kom op Merel, jaag haar weg!’ spoorde ik mijn poes aan. (Sorry voor de naam. Niet mijn idee.) Maar die keerde zich naar haar rug, om zich met haar vlooien te onderhouden. Rare kat (die van mij). Stom beest (de buurvrouw).
Tot ik de buurvrouw ‘s nachts hoorde gillen. En 2 dagen later nog eens. Ik bekeek haar nader. De pootjes waren wel erg stram. Zou ze niet gewoon pijn hebben? Wat zielig.
Vreemd, wat vermeende zieligheid met grenzen kan doen. Ze zijn er niet meer. ‘Ze zijn er nooit echt geweest’, wijst Merel mij terecht. ‘Alleen in jouw hoofd.’ We zitten bij de achterdeur. Mijn kat knaagt aan haar staartimplant. De buurvrouw nestelt zich in een plantenpot. We zijn eigenlijk wel tevreden.
